Vlak voor en vlak na de kerstvakantie ging het - surprise, surprise - niet zo lekker op stage. Ik hoorde mezelf steeds ssssst-en, roepen om aandacht en leerlingen bestraffen. Ondertussen had ik al weken niet meer naar de leerlingen geglimlacht, laat staan hardop gelachen. ,,Misschien moet je eens een leuke les geven", opperde mijn stagebegeleidster. Daarmee bedoelde ze niet dat ik mijn lessen niet zo leuk mogelijk maakte, maar dat ik een les moest geven over iets leuks wat je met Nederlands kan doen. ,,Zodat ze je ook eens van je leuke kant zien en niet steeds denken: daar heb je haar weer met haar regeltjes."
Ik hou van mijn leerlingen. Hoewel ze door me heen tetteren als ik aan het uitleggen ben, vind ik het altijd leuk om ze te zien. Waarschijnlijk heeft meer dan de helft van de klas daar geen idee van, omdat ze meer snauwen dan glimlachjes van me krijgen. Ik werk nu al een poosje aan mijn balanceeract: leuker worden, maar ook consequenter en strenger.
Nadat ik met mijn begeleider gesproken had, ging ik aan de slag met een 'leuke' poëzieles. Het onderwerp was rijmschema's. Eerst gingen we aan de slag met wat theorie, daarna mochten wat leerlingen op het smartboard rijmschema's van gedichten komen noteren. Daarna kwam het leuke gedeelte. Ik had achter de songtekst van Doe Maars '32 jaar' het rijmschema gezet en de leerlingen moesten de rijmwoorden invullen. Om te controleren of ze het goed hadden gedaan, zetten ik de clip van het liedje op. Dat vonden ze erg leuk, ze konden het zich nauwelijks voorstellen dat Doe Maar het One Direction van 1982 was, en rolden met hun ogen toen ik uitlichtte hoe knap Henny Vrienten wel niet was. Tot slot liet ik fragmenten van Ali B op volle toeren met Henny Vrienten zien.
Hoewel ik denk dat de leerlingen het een leuke les vonden, vaak vinden ze alles wat anders is leuk, was het de hele les lang chaotisch.
Die middag had ik 2A. Voor hen had ik zowat de hele zondag grammaticaoefeningen zitten maken in een online quizprogramma wat voor mij en hen nieuw was. De computerlokalen op mijn stageschool zijn net zo groot als een gewoon lokaal. Het zijn net doolhoven: rijen met computers en tussenschotten, waardoor ik als docent totaal geen overzicht heb. Als de leerlingen daar aan de slag gaan, kun je maar beter zorgen dat je niet iets klassikaal moet uitleggen, weet ik nu. Het was echt chaos. Links en rechts was ik alleen maar bezig brandjes te blussen bij leerlingen die aan elkaar zaten, elkaars computer uitzetten en per ongeluk uitlogden. Ik was gesloopt na afloop.
Eenmaal thuisgekomen zat ik er helemaal doorheen. Voor het eerst heb ik me afgevraagd waarom ik in vredesnaam leraar wilde worden. Een klasgenoot heb ik eens horen zeggen dat ze zich zo ongewenst voelde. Niemand zat op een leraar te wachten, en al helemaal de leerlingen niet. Hoewel ik haar toen tegengesproken heb, was dat die middag precies hoe ik me voelde. Ik heb de ogen uit mijn hoofd gehuild en er over nagedacht om de volgende dag gewoon maar niet naar stage gegaan.
Natuurlijk ben ik wel gegaan, en gelukkig was er die dag een sneeuwstorm. Ik schrijf gelukkig, omdat extreem weer altijd veel leuk contact oplevert. Zo ook die dinsdag. De leerlingen wilde maar wat graag vertellen over hun avonturen die ochtend: hoe ze een uur door de sneeuw hadden gefietst, of zelfs gelopen. Dan kon ik mooi weer vragen waar ze woonden en hoe ze normaal gesproken naar school kwamen. 's Middags ging het alweer een stuk beter met me en sindsdien zie ik het allemaal weer wat zonniger in.
Het is niet dat alles nu op rolletjes loopt, maar het contact met de leerlingen doet me goed. En als ik het goed zie, de leerlingen ook.